Overwegingen over vrijheid

De ontwikkeling van het vrijheidsbegrip

In zijn onlangs verschenen werk plaatst Andreas Kinneging vrijheid naast gelijkheid als dé idealen van de verlichting.[1] Vrijheid als politiek begrip is in het pre-christelijke tijdperk onmiddellijk verbonden met de Atheense stadstaten en het Romeinse rijk. De slaven zijn niet-vrij terwijl de burgers van Rome burgerrechten bezitten. Door de invloed van de Verlichting wordt de slavernij afgeschaft. Iedereen is daarna burger en gelijk voor de wet, dus politiek-juridisch vrij. Deze ommekeer leidt tot de ombouw van de feodale samenleving naar een liberale. Vooral in Frankrijk, Engeland en Duitsland zijn er invloedrijke filosofen die politieke en persoonlijke vrijheid optillen naar het centrum van het filosofisch debat. Door de revoluties in Amerika (1775-1783) en Frankrijk (1789) voelen filosofen als Immanuel Kant (1724-1804), G.W.F Hegel (1770-1831) en J.S. Mill (1806-1873) zich aangespoord om het vrijheidsbegrip tot een van de centrale thema’s van hun denken te maken. Van Hegel, dé filosoof van het establishment van de Pruisische Staat, wordt gezegd dat de ‘vrijheid’ – geconcretiseerd in zijn  ‘Absoluter Geist’ – de eigenlijke drijfveer is van zijn hele filosofie.

Twee opvattingen van vrijheid

In 1958 publiceert de belangrijke politieke filosoof Isaiah Berlin (1909-1997) zijn veel besproken werk ‘Two concepts of liberty’[2] In deze tekst onderscheidt hij vrijheid qua begrip tweeledig, als ‘negatief’ en ‘positief’. In het kort betekent negatieve vrijheid; vrij zijn van. Positieve vrijheid betekent; vrij zijn tot. Vrij zijn van enige dwang of inmenging duidt voor een subject aan dat het in zijn handelen niet wordt belemmerd. Een subject – persoon óf groep – is vrij in positieve zin als de bepalende bron van het handelen gelegen is in het subject. De negatieve vrijheid, zegt Berlin, accepteert geen tussenkomst van anderen in het realiseren van mijn handelen. Dit geldt ook voor een groep mensen die gezamenlijk doelen nastreven.

Vrijheid als waarde onder andere waarden

Mensen die gehinderd worden in hun streven naar rijkdom zijn in dit opzicht hetzelfde af als mensen die belemmerd worden om zich te ontdoen van hun armoede. Beide groepen worden (economisch) onderdrukt. Maar in een samenleving gaat het om meer waarden dan vrijheid alleen. Als een ongebreideld streven naar rijkdom zou worden toegestaan omdat vrijheid een absolute status heeft, dan gaat dat ten koste van andere waarden. Berlin noemt recht, geluk, cultuur, veiligheid, gelijkheid. Deze pluriforme set waarden is een beperkende factor die de persoonlijke en politieke vrijheid inperkt, omdat anders een samenleving niet in stand kan worden gehouden. Toch propageert het libertaire vrijheidsbegrip van onder andere J.S. Mill een absoluut minimum aan persoonlijke vrijheid, afgeschermd van de Staat.[3] Probleem hierbij is dat het logisch niet houdbaar is om het recht op die vrijheid voor de een gelijk te schakelen met datzelfde recht voor de ander. De vrijheid van de een beperkt noodzakelijk de vrijheid van de ander. Met andere woorden mijn vrijheid wordt bepaald door de beperkingen voor de ander. Eigen ik mij meer vrijheid toe dan is er noodzakelijk minder vrijheid voor de ander.

Maar ook in praktische zin hebben mensen die in armoede leven er niet veel aan dat ze vrij zijn van allerlei bemoeienissen van de overheid en dat dit juridisch is vastgelegd in het recht. Zo’n recht heeft voor hen geen enkele waarde. Die mensen zouden juist van die overheid mogen verwachten dat ze zich bemoeit met het bevorderen van hun gelijkheid, dus met het verbeteren van de voorwaarden van hun positieve vrijheid. De Egyptische boer heeft kleren en medicijnen nodig, zegt Berlin, meer dan persoonlijke vrijheid.  Zoals gezegd propageert het libertaire vrijheid denken toch een minimum aan absolute persoonlijke vrijheid. Deze abstracte negatieve vrijheid is een ‘goed’ dat voorafgaat aan sociaal-economische waarden. Het moet in alle omstandigheden in gelijke mate voor iedereen zijn gewaarborgd, volgens de libertaire filosofen. Pas dan kunnen andere waarden als gelijkheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid, cultuur, menselijk geluk, enzovoort aan bod komen.[4] In de praktijk is dit zuiver libertaire standpunt niet houdbaar omdat het niet te generaliseren valt:

“De vrijheid van de een moet zo nu en dan worden ingeperkt om de vrijheid van de ander te garanderen”[5]

Overheid versus vrijheid

In een samenleving waar een overheid de regulerende instantie is van dat samenleven, is het de vraag hoe zij op afstand kan worden gehouden om dat minimum aan persoonlijke vrijheid te behouden. In de waardenhiërarchie mag persoonlijke vrijheid ongelooflijk belangrijk zijn, maar die samenleving functioneert alleen als ook de andere waarden overeind blijven. Het ‘vrijheid éérst’ principe van Mill – omdat pas als iedereen kan doen wat hij wil, zijn talent volledig tot ontplooiing kan komen – berust volgens mij op een verwrongen mensbeeld van Mill. Talent komt niet alleen in een libertaire samenleving bovendrijven. Wat kan bovendien een geïsoleerd talent zonder dat het een invloedssfeer heeft waarin het kan gedijen en waardoor het verregaand wordt ondersteund? Zou het niet de vreemde menselijke behoefte kunnen zijn om bijzondere en talentvolle mensen heel groot te maken en ze een sterrenstatus te geven?

Naast ongekende individuele talenten in de westerse open samenleving (en de sociaal-economische gevolgen van hun uitvindingen, leiderschap en inzichten) zijn er ook collectieve systemen in diezelfde samenleving die fenomenale ontwikkelingen hebben gegenereerd. Denk aan de ruimtevaart, Los Alamos, het leger, het onderwijs, de rechtspraak enzovoort. Maar zelfs samenlevingen die wij kenschetsen als niet-vrij, zijn door een collectieve aanpak in staat tot ongekende prestaties. Een autocratisch systeem als China heeft zich in 40 jaar tot een samenleving ontwikkeld waarvan de bevolking voor 80% in armoede leefde, naar een samenleving waarvoor dat voor minder dan 1% geldt. Bovendien is het inkomen gemiddeld 25 keer zo hoog geworden. Het is een aanname van Mill dat strenge systemen die minder tolerant zijn, individuele menselijke genialiteit onderdrukken. Voor de ontplooiing daarvan is dat geen noodzakelijke voorwaarde. Samenvattend is de negatieve vrijheid van niet persé een kwestie van wie er gezag uitoefent.

Individuele vrijheid en de rede

Buiten de mate van vrijheid binnen een sociaal systeem is er een menselijke behoeft aan persoonlijke onbelemmerde vrijheid. Een individu wil kunnen handelen zonder tussenkomst van eender welk gezag. Uit die wezenlijke behoefte (ik kom straks nog even terug op de mogelijke bron van die behoefte) komt de vrijheid tot voort; tot meesterschap over zichzelf van het individu:

“Ik wil mij bovenal van mijzelf bewust zijn als een denkend, willend, handelend wezen, dat verantwoordelijkheid draagt voor zijn keuze…”[6]

Op deze manier ervaar ik mij als vrij. Meester over mijzelf zijn en niet worden belemmerd, zijn kernbegrippen van vrijheid die aangeduid als positieve en negatieve vrijheid vaak moeilijk te onderscheiden zijn. Ze liggen logisch en praktisch gezien te dicht bij elkaar. Het lijkt min of meer een academische kwestie om het begrip vrijheid als positief of negatief te onderscheiden. Ik kan mijzelf als vrij ervaren door de rede in te schakelen bij mijn keuzes en handelen. De rede als meester en heerser. Zowel bij Plato als in het Duits idealisme in de 18e en 19e eeuw wordt de heersende kracht van de rede opgestuwd tot ongekende hoogte. Het autonome individu heerst als ‘subjektiver Geist’ over zijn eigen leven als een vorst.

De driften en vrijheid

Pas de denkers Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche ontmaskeren of deconstrueren het verhaal van de almachtige rede. Hun analyse van de menselijke irrationele driften en impulsen laten het autonome mensbeeld totaal kantelen. Mijn wensen en verlangens heersen over mijn bestaan en ik ben er geen slaaf van zoals het perspectief van de verlichte rede mij wil doen geloven. De driften als het ‘heteronome zelf’ beschouwen is volgens Schopenhauers ‘Wille’ of Nietzsches ‘Wille zur Macht’ een ontkennen van de sturende impulsen van de Dionysische  krachten in ons bestaan. Sturen zij niet in hoge mate ons handelen en ligt daar niet de essentie van vrijheid? Is onbelemmerd volgen van je impulsen en verlangens niet een grotere vrijheidservaring, dan je beperken in je handelen door de moraal van een gebiedende rede? Zolang ik alleen met mijzelf en mijn eigen ervaring te maken heb zou dat waarschijnlijk zo zijn. Maar een mens leeft zijn leven niet alleen.

De objectieve vrijheid

In Hegels analyse van de geest is het volgend stadium de ‘objektiver Geist’ die zich heeft ‘veruitwendigd’ in een samenleving door middel van haar instituties zoals Staat, Kerk, Recht, Moraal en Zedelijkheid. Vrijheid in de samenleving komt tot stand door haar in te richten volgens de voorwaarden van de rede. Deze vrijheid is van een hoger orde (‘aufgehoben’) dan de subjectieve vrijheid. Die ‘geest’ of rede laat je ook inzien dat je op termijn beter af bent en een ‘grotere’ of ‘verlichte’ vrijheid bewerkstelligt door een objectieve vrijheid tot stand te brengen. Door dit inzicht in jezelf te bewerkstelligen ontwikkel je een door de rede ‘verlicht’ zelf. Het is in de loop van de ideeëngeschiedenis altijd aangehaald als het ‘ware’ of ‘werkelijke’ zelf. Dit door machthebbers en filosofen bedachte inzicht van de rede is in essentie in ieder mens als redelijk wezen aanwezig al is het niet altijd voor het volk weggelegd om het helder voor ogen te hebben. De stap is dan nog maar klein voor de overheid om restricties op te leggen aan de persoonlijke vrijheid in naam van de ‘ware’ vrijheid. Het is immers voor hun eigen bestwil.

Tot slot

Vooral de filosofie van Hegel wordt in dit opzicht – met name door Schopenhauer – enorm bekritiseerd omdat het machthebbers in Staat en Kerk legitimeert om in naam van de vrijheid zijn onderdanen ronduit te onderdrukken. Het zelf dat zich autonoom zou moeten kunnen bepalen om zo een positieve vrijheid te bewerkstelligen wordt op die manier door de ‘hogere orde vrijheid’ van de Staat gekleineerd. De oorsprong van de vrijheidsidee ligt, denk ik, in een primaire ervaring bij het individu. Misschien is die ervaring geënt op instinctmatige oprispingen van de territoriumdrift. Er is een wezenlijke behoefte aan een eigen buitenruimte die gevrijwaard is van indringers. Deze ervaring is in de culturele ontwikkeling van de menselijke soort ook geïncorporeerd geraakt in de cultuur. Bij Mill claimt ze als negatieve vrijheid een persoonlijke ruimte vrij van iedere belemmering van buiten. Als dit de bron is (zoals ik hierboven aanstipte) van de vrijheidservaring dan is een door machthebbers gereguleerde ‘ware’ vrijheid als legitimatie voor een samenleving van vrije individuen tegelijk ook een slapende vulkaan. Zoals vaker zien we ook hier dat de revolutie (vrijheid, gelijkheid, broederschap) haar eigen kinderen op eet. En toch hebben we als kuddedieren een capaciteit in ons om ons samenlevend in stand te houden. Hoe? Daar zijn we nog niet helemaal achter.

[1] ‘De onzichtbare maat’ Andreas Kinneging, Amsterdam, 2020

[2] ‘Twee opvattingen van vrijheid’ Amsterdam, 2018

[3] O.c. pagina 15

[4] O.c. pagina 17

[5] idem

[6] O.c. pagina 25

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s